donderdag 16 mei 2013

In een kring


Kerkdeuren zitten veel te vaak dicht. Op zondagmorgen gaan de deuren open, verder zijn ze gesloten. In het buitenland op vakantie zijn kerken voor mij juist pleisterplaatsen: even stil zitten, even denken en een kaarsje aansteken. Buiten is de drukte van de stad, binnen is stilte en rust.

In Deventer kan dat tegenwoordig in de Lebuïnuskerk. Je voelt je welkom onder de oude gewelven. Vandaag loopt er iemand met haar hond. Twee kinderen rennen uitgelaten rond. Anderen drinken koffie aan een tafeltje. Ik zit daar even zomaar: even een lijntje naar ‘Boven’ en naar ‘opzij’: ik steek een kaarsje aan en denk aan iemand die licht nodig heeft.

in de crypte van de Lebuïnus in Deventer

Iemand schreef in het gastenboek: Mooie kerk, maar ik heb het niet zo op kerken.  Ik heb nu juist wél wat met kerken. In het Zwitserse dorp Langnau doe ik op een doordeweekse dag mee aan een meditatief avondgebed. Het spreekt mij zo aan dat ik het vervolgens mee naar huis neem.

Zo komt het dat ik tegenwoordig elke dinsdagavond om 7 uur een kring met stoelen klaarzet. Op een lage tafel staan een kaars, bloemen en een schaal met zand. Soms zijn we met vier, een anderen keer met tien mensen. We zingen, lezen een psalm en steken een kaarsje aan voor iemand. We zingen zonder orgel en het klinkt helder en mooi.

de kring bij de gedachtenishoek
achter in onze kerk

We lezen uit 150 Psalmen Vrij van Huub Oosterhuis. Hij blaast de psalmen nieuwe leven in. We steken ieder een waxinelichtje aan en horen van elkaars vreugde en verdriet. Iemand die vaak bij het avondgebed komt, werd geopereerd. We noemen haar naam en zijn met haar verbonden. Het zijn kostbare momenten.

Op deze manier is onze kerk midden in de week ook even ‘in functie’, worden er hoop en troost gedeeld. Sinds enkele weken kan wie wil op zondagmorgen ook een kaarsje aansteken: een gebaar van verbondenheid, teken van liefde.


Een kaars, het is niet veel bijzonders.
En toch .. een kaars is een teken,
een teken dat ik een ogenblik bij U, God, wil zijn.
Bij U, omdat ik weet dat U hier bent,
dat U mij ziet, dat U dichtbij bent
dicht bij mijn problemen en moeilijkheden,
dicht bij mijn thuis
dicht bij mijn kinderen
U bent dicht bij mijn werk
dicht bij mijn zorgen
dicht bij mijn vreugden
U bent dicht in mijn omgeving
dicht bij mijn gezondheid
dicht bij mijn toekomst.
Ik vertrouw op Uw nabijheid;
moge dit kaarsje daar het teken van zijn.

(gelezen in een kerk in de Alpen)

donderdag 9 mei 2013

Zingen als de dageraad nog donker is


Onze tuin is niet van ons alleen: er zijn allerlei dieren die er hun territorium hebben. Zo is er de merelfamilie, waarvan de moeder nog maar één poot heeft. Ze redt zich wonderbaarlijk en houdt mij bij de les. Want als ik ’s morgens niet meteen vogelzaad op de voedertafel leg, gaat zij op de rand zitten en probeert mijn aandacht te vangen. Nog even en ze eet uit mijn hand. Verder is er onze huislijster, die ’s zomers van hoog in de lucht huisjesslakken op de tegels laat vallen om ze op te kunnen eten. Er is een roodborstje, er zijn tortelduiven, pimpelmeesjes, koolmeesjes en een heleboel musjes.


Zonder hen zou onze tuin leeg en dood zijn. Want ze fluiten, zingen en scharrelen rond in de perken en onder de struiken. Als ik in de tuin aan het werk ben, komt vader merel al gauw bij me in de buurt: al die omgewoelde grond bevat zoveel lekkers. De vogels bouwen hun nesten in onze tuin en voeren hun jongen. We horen de kleine vogeltjes piepen in het nestkastje en als we geluk hebben zien we hoe ze uitvliegen. De merel zit ’s op lange zomeravonden op de nok van het dak en zingt.

Klein en kwetsbaar zijn de vogels in onze tuin. Soms zit er één vast in het net over de bessen. Soms vinden we een vogel die door de kat gepakt is. Ze zijn altijd op hun qui-vive, spieden met hun kleine zwarte kraaloogjes in het rond. Heel soms zie ik ‘s zomers de merel ‘zonnebaden’, met zijn vleugels wijd en zijn snavel open in de zon. Verder zijn ze altijd, altijd op hun hoede. Maar behalve kwetsbaar zijn ze ook sterk: ondanks sneeuw en ijs, storm en onweer komen ze steeds weer tevoorschijn en laten ze vrolijk fluitend van zich horen.|


Jarenlang waren wij elke herfst een week op Schiermonnikoog. Eén herinnering daarvan is mij in het bijzonder bijgebleven. Op een morgen heel vroeg, terwijl er nog diepe duisternis heerste, ging ik met de kinderen naar buiten. Het was aardedonker, op het licht van de vuurtoren na. Terwijl we daar door het donker liepen, veranderde er iets. Het begon met zacht gefluit van een vogel: eerst één, toen meer. De vogels zongen in het donker al van het licht. Wat een vertrouwen! Inge Lievaart heeft daar een paar prachtige gedichten over geschreven. Zo eindigt ze haar gedicht ‘Prelude’ met:
...
o kleine gelovige keel
iets vromers ken ik niet
nu moet de dag wel komen.

Veel vogels hebben een symbolische betekenis. Zoals de duif, symbool van vrede en van Gods Geest. Vogels laten iets zien van een verbinding tussen hemel en aarde, want vogels zijn thuis in de lucht maar ook thuis op de aarde.


De broeders van Taizé hebben een duif als logo, symbool voor verzoening. Hun gestileerde duif is kruisvorm en duif ineen (het Griekse kruis  met vier gelijk lange armen). Het symboliseert verzoening. De duif vliegt naar beneden: symbool van Gods Geest die bij mensen wil wonen en daar vrede en verzoening teweeg brengt. Voor mijn geloven is de Taizé-duif een basis-symbool geworden. Ik draag deze kleine vogel iedere dag als symbool van tere kracht die verzoening en vrede brengen kan. Dat geloof zoek ik: te zingen als het nog donker is, tégen alle donker in zingen van licht en vrede, liefde en verzoening.

Het geloof is de vogel
die licht voelt
en zingt
als de dageraad nog donker is.

Rabindranath Tagore

donderdag 2 mei 2013

Religie als verbinding


Op de stoelen in de kerk van Jorwerd – tussen de oude herenbanken met de dikke bijbels en koperen kandelaars - liggen fleecedekens klaar. Het doet meteen denken aan de dekentjes op caféterrasjes .. maar dit is een kerk, en zodadelijk begint het ochtendgebed. We zijn blij met de extra warmte van de fleeceplaids, want het is flink koud zo vroeg in de morgen. In een grote kring beginnen we deze zaterdag met het lezen van het verhaal van de Emmaüsgangers. Ook wij zijn vandaag samen onderweg rond het thema verbinding.

interieur van de kerk van Jorwerd

In Jorwerd is God teruggekeerd in de vorm van het initiatief ‘Nijkleaster’ (Nieuw klooster) waar elke maand een kloosterdag gehouden wordt. Mensen uit verschillende plaatsen en met diverse achtergronden komen hier een dag bij elkaar om te wandelen, praten, eten en vieren. Het thema van de Nijkleasterdei in april is: verbinding. Zo zitten we samen rond de grote kloostertafel als onbekenden voor elkaar, maar verbonden in het geloof.

Geloven heeft alles met verbinding te maken. Religie betekent: verbinden. Geloof is de verbinding tussen God en mensen, tussen het alledaagse en dat wat er boven uit stijgt, tussen het aardse en het hemelse. Maar religie is ook je verbinden met idealen en dromen. En religie is de verbinding tussen mensen: zó zijn we samen begonnen met vieren in de kring.

Verbinding kan op verschillende manieren: samen rond deze kloostertafel, maar ook via nieuwe vormen als facebook en twitter. Zelf ervaar ik deze verbindingsvormen als positief met een eigen karakter en eigen sterke kanten. Net als alles hebben zij ook hun zwakke kanten en beperkingen. Maar via facebook voel ik mij verbonden met vele mensen, groepen en idealen.

Thuis, ver van het Friese Jorwerd, voel ik mij verbonden met dit bijzondere initiatief via facebook. Hier in deze oude kerk, tussen de grafstenen en de oude gele en groene tegels, voel ik mij verbonden met gelovigen ver voor mijn tijd, die ook in deze kerk hebben gezongen en gebeden.


Bij deze dag hoort een wandeling. Het is nog fris, maar al groener dan de vorige keer. Het eerste deel van de wandeling lopen we in stilte. Je hoort de wind en de vogels. Het tweede deel van de wandeling krijgen we een denk-opdracht mee. We mogen in stilte nadenken over de vraag met wie wij in ons leven een stuk opgelopen zijn of wie er met ons opgelopen is. Ik denk aan mijn kinderen: eerst leerde ik hen lopen en begeleidde ik hen, nu is het vaak andersom. Zij slaan een arm om mij  heen als ik het moeilijk heb en ze leren mij nieuwe dingen. Dankzij hen heb ik geleerd hoe je je op nieuwe manieren kunt verbinden met anderen, dankzij hen leer ik nu mijn weg vinden in deze voor mij nieuwe wereld en tijd. Dan staan we allemaal weer even stil en krijgen de volgende opdracht: na stilte en bezinning is het nu tijd voor verbinding: het laatste deel van de wandeling mag je je gedachten met een andere wandelaar delen.

Het is een mooie drieslag: stilte, bezinning en verbinding. De stilte geeft je tijd om tot rust te komen zodat er ruimte in je komt om je te bezinnen. Vervolgens kun je delen wat je bedacht en ontdekt hebt of kun je de vragen die er in je opgekomen verwoorden. Een medewandelaar vertelt waar zij zich bewust van werd: soms denk je dat jij met een ander meeloopt, maar las je terugkijkt blijkt dat die ander eigenlijk met jou meegelopen is. Zo wordt het verhaal van de Emmaüsgangers werkelijkheid in de Friese weilanden tussen kievieten en scholeksters. Samen wandelen is een bijzondere wijze van je met elkaar verbinden. Een tijdlang heb ik regelmatig met mijn kinderen gewandeld als er iets was waar we over moesten praten. Je praat anders als je wandelt, omdat je niet stijf tegenover elkaar zit en de ander niet steeds zit aan te kijken. Lopen maakt open: zoals je lichaam in beweging is, komen ook je gedachten in beweging.

Na de wandeling is er een maaltijd in het dorpscafé. Samen eten is bij uitstek een manier om je te verbinden: met anderen én met moeder aarde. Het eten is heel eenvoudig: een bord soep en dikke plakken vers brood, kaas, boter en jam. Het smaakt als een feestmaal.


Aan het eind van de dag komen we weer in de kring in de kerk bij elkaar. We delen ervaringen en we delen brood. We zingen:

Aandacht wens ik je toe. 
Dat er mensen zijn met wie je kunt delen. 
Zegen wens ik je toe.

Later, alleen in de trein, besef ik dat dit een dag van vele verbindingen was. Friesland is ver weg, maar ik blijf via facebook en via het geloof met Nijkleaster verbonden. En overal en altijd zijn er mensen met wie je kunt delen, waardoor je iets ervaart van die verbinding van het aardse met het hemelse.

de ramen en de kring weerspiegeld in de kroonluchter

zie ook: wwww.nijkleaster.nl

donderdag 25 april 2013

Godsgroen


Groen is de kleur van groei. In  de koude wintermaanden waarin alles doods en grauw is, verlangt alles en iedereen naar dit nieuwe groen. De knoppen van de bomen barsten open. Sommige bomen beginnen vanuit die koude winter zelfs met uitbundige bloesems. Andere bomen krijgen een zachte waas van lichtgroen. Het is een bijzondere kleur groen. Kolet Janssen heeft er in haar boek  met kindergebeden, ‘Hoor je wat ik zeg’, een gebed aan gewijd: (fragmenten hieruit)

Ik zoek een woord voor het nieuwe groen
Zo mooi groen, dat ik er een woord voor zoek.

Pril groen, zegt mama. Het belooft nog meer.
Frisgroen, zegt papa. Het nieuwe straalt er af.
Lentegroen, zegt mijn zus. Die maakt zich er snel van af.
Gewoon lichtgroen, zegt mijn broer. Dat zie je toch?
Maar ik zoek meer. Kriebelgroen. Aaigroen.
Blijgroen kan ook. Of godsgroen?

Want dit is vast jouw lievelingskleur, God.
Toen jij de wereld maakte
had alles deze kleur.

In onze vijver liggen dikke klonten kikkerdril. Met de dag zien we de zwarte puntjes uitgroeien tot kleine diertjes. Het is een fascinerend groeiproces wat ons ieder jaar weer boeit: de kikkers, ondanks de kou en het ijs weer tot leven gekomen en de vijver die dan weer vol met kleine kikkervisjes zit.

kikkerdril, foto: Auke-Florian Hiemstra

Bij mensen gaat groei een stuk langzamer. Maar die kleine babies van mij, die de geur hadden van honing en jonge melk, zijn haast ongemerkt uitgegroeid tot sterke, grote mensen.

Ze moesten inderdaad gaan, ik had het gezien
aan hun gezichten die langzaam veranderden
van die van kinderen in die van vrienden,
van die van vroeger in die van nu.

(uit een gedicht van Rutger Kopland)

Onze kinderen groeien in kracht en ervaring, in wijsheid en liefde. Die groei heeft alle kleuren en is niet beperkt tot een bepaald jaargetijde of een bepaalde levensfase. Want niet alleen kinderen en jonge mensen groeien: groeien mag je levenslang.

Leven is groeien. Alles wat leeft, verandert. Soms doet groeien pijn. Soms groei je tegen de klippen op of dwars door verdriet heen. Soms groei je fysiek, soms innerlijk. Wie fouten maakt en daar van leert, wie zich door het leven laat kleuren en vormen, groeit. Wie open staat voor nieuwe dingen, wie niet bang is voor verandering, groeit. Wie liefheeft en wie zich geeft, groeit.


Elk jaar opnieuw komt het nieuwe lentegroen en komt het kikkerdril. Elke dag is er iets nieuws te ontdekken in onze tuin. Zo mogen wij mensen ook elke dag groeien: in begrip en compassie, in wijsheid en liefde.

donderdag 18 april 2013

Bidden op blote voeten


Met vereende krachten halen we alle stoelen uit de kerk. Twee rijen aan beide zijden blijven en de rest is lege ruimte. Vier danseressen komen binnen en doen hun schoenen en sokken uit en proberen de vloer. Het moet voor onze kerkvloer een heel nieuwe sensatie zijn: ik denk niet dat hier ooit eerder is gedanst. Er wordt een kandelaar in het midden gezet met helder gele kaarsen, het middelpunt van de dans. Straks cirkelen de danseressen rond het licht zoals de aarde rond de zon.

Het thema van de avond is ‘groei’. Hier in deze lege ruimte gaat iets groeien, iets leven. Woorden, beelden, muziek en dans brengen het thema tot leven.

Groei heeft  ruimte nodig. Er kan pas iets nieuw groeien als er ruimte is. De lege ruimte in onze kerk is bijna symbolisch.

Nieuw zaad wortelt het diepst op de plaatsen die het leegst zijn.
C.P. Estés

Gedichten vullen de lege ruimte met woorden, schilderijen vullen het met kleur. Muziek vult de ruimte met klank en de danseressen vullen het met beweging. Een lied van Huub Oosterhuis klinkt. De bewegingen zijn één met de tekst en één met de muziek. “Wek mijn zachtheid weer”. De bewegingen zijn zacht, vloeiend en sprekend. Het lichaam spreekt geloofstaal. Deze dansgroep heet ‘Levensdansen’ en zij dansen het leven: angst en vertrouwen, verdriet en vreugde. Zo kan een mens zelf een lied worden, een gebed.

dansgroep Levensdansen, foto: AF Hiemstra

In onze kerk zie je meestal maar heel weinig gebaren en weinig beweging. We zitten of staan, we luisteren en kijken ... maar bewegen doen we niet. Er gebeurt veel in ons hoofd en ons hart ... maar onze armen en benen gebruiken we niet. Voor veel mensen is de combinatie van kerk en dans onbestaanbaar. Maar als ik deze danseressen zie dansen, zie ik hoe het ook kan zijn: een mens die met hart en ziel én lijf en leden gelooft.

Aan het einde van de avond mag wie wil mee dansen. Aanvankelijk is er wat aarzeling, maar al gauw groeit de kring en dansen we samen rond het licht. Zo groeit iets nieuws: bidden met je voeten, bidden met je hele lichaam en bidden met beweging.

Dance, dance, wherever you may be
I am the lord of the dance, said he
And I lead you all, wherever you may be 
I am the life that will never, never die
I'll live in you if you'll live in me
I am the Lord of the dance, said he 


donderdag 11 april 2013

En toen was het stil ......


Nog maar een paar uur geleden rende ik vol stress door mijn huis om nog van alles te regelen. Daarna reden we op een drukke snelweg in de vrijdagmiddagspits, vol lawaai van al dat razende verkeer. Maar nu zit ik stil. Ik kijk naar buiten waar de avond valt, ik hoor een vogel fluiten in de tuin  en verder is er geen geluid te horen. Wat een contrast! Ik ben in een oase van rust en stilte terecht gekomen: met een vriendin ben ik dit weekend bij de Benedictinessen in de Onze Lieve Vrouwe Abdij in Oosterhout.

Nog maar enkele uren ben ik hier en meteen al is er zoveel anders dan thuis. Het begint al met een maaltijd in stilte. Bij ons thuis wordt aan tafel altijd druk gepraat en vaak is er ook nog telefoon. Maar hier zitten we aan tafel en eten, verder niets. Het valt mij op hoe veel beter je het eten proeft, nu er alle aandacht voor is. Ook heb je op een andere manier juist veel aandacht voor elkaar. Iedereen kijkt goed om zich heen of iemand misschien de boter nodig heeft of brood. Zo heb je contact, maar zonder woorden.

Wanneer alles zo stil is, vallen de geluiden die er zijn extra op. Dit wordt nog versterkt door de grote ruimten die relatief leeg zijn: de inrichting is beperkt tot het hoognodige. De wanden zijn wit, de vloeren leeg. Er is geen overdaad aan spullen. Dat geeft een groot gevoel van ruimte.

de kerk van Onze Lieve Vrouwe Abdij

Opvallend is ook het strakke dagritme  ’s Morgens heel vroeg, als alles nog donker is, luidt de klok voor de eerste gebedsdienst. Als ik terugkom op mijn cel om er te lezen, hoor ik boven de donkere kloostertuin het ochtendlied van de vogels. Dan is er de bel voor het ontbijt en zo is de hele dag gestructureerd. Je zou verwachten dat je je daardoor in je vrijheid aangetast voelt. Maar het omgekeerde is het geval: het geeft je juist een gevoel van veel ruimte en tijd.

In mijn leven gaat het vaak zo anders: ik word zo vaak geleefd.

Niet ik vul mijn agenda, maar mijn agenda vult mij. (Leo Fijen, in: De reis van je hoofd naar je hart)

Hier in het klooster merk ik meteen het verschil: het vaste ritme met de vaste tijden geeft me weer zeggenschap over mijn tijd, over mijn leven. Ondanks de vele uren van gebed is er daardoor toch veel tijd.
’s Avonds sta ik nog een poos op mijn balkon. In de verte de lichtjes van het centrum en je hoort het ‘gonzen’ van de stad met het niet aflatende geluid van verkeer, muziek en lawaai. Hier, binnen de kloostermuren, is het donker en stil. Het klooster is een oase van rust in deze drukke wereld die dag en nacht doorgaat in zijn snelle tempo en vele lawaai.

Wanneer ik de volgende morgen ga wandelen, stuit ik op de kloostermuur. De muur heeft geen einde en is zo hoog dat ik er niet over heen kan kijken. Dat voelt wat vreemd: ik voel mij toch wat opgesloten of buitengesloten. Natuurlijk mag ik door de poort naar buiten, maar ik heb me voorgenomen deze dagen hier te blijven en het ritme en het leven van de zusters te delen.

de kloostermuur

Hoewel ik geniet van de rust, de stilte en het ritme van de dag, merk ik dat ik ook dingen mis. Al die witte wanden doen mij verlangen naar de gezelligheid van thuis. De ingetogenheid in het klooster doet mij verlangen naar uitbundigheid. Bij de eucharistieviering mis ik de verbinding tussen het geloof en het dagelijks leven. Totdat er ineens iets uitbundigs gebeurt. Een klein meisje dat achter ons in de bank zit, geeft bij de vredegroet de mensen naast haar een hand. Maar dan stapt ze op de knielbankjes en gaat ze de hele rij mensen af. Met een ernstig gezicht wenst ze ieder ‘de vrede van Christus’. Aan het einde van haar bank gekomen, stapt ze onze bank in. Iedereen wenst ze vrede en kijkt hen met haar wijze oogjes aan. Inmiddels is de priester al verder gegaan met de liturgie, maar zij rust niet voordat ze de laatste kerkganger vrede heeft gewenst. Dit kleine meisje was voor mij het hoogtepunt van de viering.

Na het eten is het tijd voor vertrek. Ik neem de vrede die dat meisje me gewenst heeft mee. Ik neem iets van de rust mee en ik bedenk me dat ik thuis weer meer wil zoeken naar een dagritme. Zo gaan wij vanuit deze oase van rust en ingetogenheid vrolijk ons drukke en uitbundige leven weer tegemoet.

donderdag 4 april 2013

Een nacht doorhalen


Studenten doen dat vaker: een nacht feesten, of als het moet: een nacht studeren. Maar de meeste mensen slapen ’s nachts. Van 30 op 31 maart is daarom een uitzonderlijke nacht: de hele nacht door brandt er licht in de Ichthuskerk.

Zoiets heeft natuurlijk een aanleiding en dat is: Pasen. Want de eerste Christenen bleven van oudsher de hele nacht waken om vanuit het donker van de nacht het nieuwe licht te ervaren. In het donker hoorden zij verhalen van licht en bevrijding en zo werd het nieuwe daglicht voor hen een paaservaring. Ditzelfde willen wij ook meemaken. Wij hebben deze oude traditie nieuw leven ingeblazen en een programma gemaakt dat de hele nacht omvat: spel, bezinning, film en korte vieringen houden ons wakker en houden ons bezig.

De hele nacht is de kerk open. Sommigen blijven langer op dan anders, anderen komen een poosje ’s avonds laat uit hun werk of komen om vijf uur in de morgen binnen. Gedurende de hele nacht zijn er korte vieringen in een kring. We zingen een Taizélied:

         In alle duisternis, ontsteek, Heer, een lichtend vuur dat nooit meer dooft ....


In elke viering staat een woord centraal waarbij we luisteren naar een lied uit ‘The Passion’ en waarbij we bidden: de ene keer door kaarsjes aan te steken, een andere keer kijken we naar foto’s uit de krant. Wanneer het woord ‘oordeel’ centraal staat, krijgt ieder een papieren kruisje met als opdracht: ‘Zet op je kruisje welke mensen vaak lijden onder het oordeel van anderen, mensen/groepen die zo makkelijk veroordeeld worden’. Op de kruisjes wordt geschreven: kinderen die gepest worden, iedereen die afwijkt, verslaafden, daklozen, homoseksuelen, allochtonen, Moslims, mensen met hiv, christenen in onverdraagzame Islamitische omgeving, bankiers, de regering .... wat zijn wij in veel situaties snel en onbarmhartig in ons oordeel. Zo zijn er momenten van bezinning in het donker van deze nacht en zoeken we naar licht.

We besluiten de vieringen met een lied uit Iona:

Goedheid is sterker dan ’t kwade,
liefde is sterker dan haat,
Licht is sterker dan ’t duister,
leven sterker dan dood ....

We kijken een film – waarin mensen onbarmhartig over elkaar oordelen en gaandeweg leren kijken met hun hart- en we spelen tafeltennis en eten heerlijke wraps. De kerk wordt een soort ‘thuis’ en het is bijzonder om zo een hele nacht samen op te trekken.

Wanneer de nacht het koudst is, gaan we naar buiten. We wandelen naar de Appelseweg, waar een vuur brandt en we ons warmen en broodjes bakken aan lange stokken boven de vlammen. In de stal bewonderen we de kleine lammetjes. Met fakkels lopen we terug naar de kerk. De lucht wordt al lichter en overal horen we vogels zingen. De Indiase dichter Rabindranath Tagore schrijft:

Het geloof is de vogel 
die licht voelt 
en zingt
als de dageraad nog donker is.

Zo ervaren wij deze nacht dat het licht sterker is dan het donker en we zingen van de goedheid die sterker is dan ’t kwade, van liefde en leven die overwinnen.


Natuurlijk hebben we na deze nacht weer slaap nodig. Een deel van de eerste paasdag brengen we in bed door. Maar de nacht heeft een blijvende indruk op ons gemaakt. ’s Avonds vind ik een berichtje in mijn mailbox met de volgende tekst:

Ik vond de symboliek erg aansprekend om midden in de nacht, terwijl alles nog donker is, een vuur brandend te hebben, waaraan we de fakkels kunnen aansteken om zo het licht van God - dat zelfs in het diepste duister brandt - verder te dragen. 

Daar was die nacht doorhalen goed voor: om het licht te ontvangen én verder te dragen!