donderdag 19 april 2012

Overal ruist het smeltwater

 Mijn eerste dagen in Zwitserland worden ‘retraitedagen’. Ik ben in het Emmental bij een bed & breakfast-adres en na een heerlijk ontbijt pak ik mijn rugzakje. Lopen is een goede manier om innerlijk tot rust te komen. De beweging, de buitenlucht en de natuur doen hun werk. Ik neem een boek mee, een schrijfblok, brood, kaas en water.
interieur Evangelische Kirche Langnau CH

Mijn eerste gang is naar de kerk. Overdag is de deur altijd open. Binnen staat een prachtig voorjaarsbloemstuk en er ligt een uitnodiging om een kaarsje aan te steken. Ik zit een poosje bij mijn kaarsje en lees het gebed dat erbij ligt.

Wanneer wij nu deze kaars aansteken
steek dan ook in ons het licht aan, dat de wereld verlichten kan.
Behoed ons licht wanneer het flakkert zodat het niet uitdooft.
Zegen het, zodat het groter wordt, en maak het sterk en krachtig.

Met dit lichtgebed begint deze dag. Dan doe ik mijn rugzak op en ga op weg. Eerst flink omhoog, zodat ik even later het hele dorp van bovenaf zie liggen. Heel stil is het hier. Zo stil, dat je allerlei geluiden die je anders niet opmerkt, hoort. De sneeuw die er nog ligt is bezig te smelten. Overal ruist het smeltwater. Dit is het geluid van het voorjaar, van het nieuwe begin. Het herinnert mij aan een mooi gedicht van Ida Gerhardt:

Smeltwater uit de bergen, raak mij aan:
de sterren kenteren en de nieuwe maan
voorzegt de lente. Winterlang verstoken
van u, smeltwater aan de sneeuw ontloken,
wacht ik u, om in bloemen op te staan.

boerderij in het Emmental

Naast het ruisen van het smeltwater zijn er de vogels die onafgebroken fluiten. Ik hoor het kloppen van een specht, een geitje dat blaat en kakelende kippen. Ik loop langs oude boerderijen, karakteristiek voor deze streek. Ze hebben brede dakranden, die ver oversteken. Onder deze dakrand droogt de was, zijn balkons en staat beneden een tafel met stoelen te wachten op mooi weer om buiten te eten. Vandaag wil de zon niet echt doorbreken, maar ik zie sneeuwklokjes en bosannemoontjes die de winter een halt toeroepen.

boerderij in het Emmental

Later loop ik beneden in het dal, langs de rivier de Emme. Heerlijk is het geluid van zo’n ruisende rivier. Ik zit een poosje aan de oever bij een stenenstrandje. Die stenen hebben zoveel verschillende kleuren: rood, groen, grijs, bruin en wit …..Vele zijn rond geslepen: in de eindeloze stroom van het water en aan elkaar. Sommigen hebben een bijzondere tekening gekregen: witte strepen die een bijzonder patroon vormen. Het is net kunst.

Geen enkele steen is precies gelijk aan een andere. Stenen zijn net mensen: ieder heeft zijn of haar eigen vorm en kleur en samen vormen ze een bonte variatie waar je niet op uitgekeken raakt. En ook mensen kunnen glad en zacht worden als ze zich in de stroom van het leven laten slijpen aan anderen.

stenen in de bedding van de Emme

Ik kan het niet laten enkele stenen mee te nemen. In mijn huis en tuin liggen stenen van al mijn wandelingen. Nog herinner ik mij hoe ik als kind op de laatste vakantiedag moest kiezen welke stenen mee naar huis mochten. En dat waren er maar weinig, want ik moest ze in mijn rugzak dragen, met al mijn bagage. Veel stenen roepen direct herinneringen op. Het zijn kleine wonderen uit onze wonderlijk mooie wereld en herinneringen aan dagen van geluk.

Ook dit is zo’n dag. Vandaag is de tijd mijn vriend. Op een bankje met een tafeltje aan de oever van de rivier schrijf ik dit weblog. Wat krijg ik veel, deze lange dag. Waarom zie ik mijn vriend, de tijd, toch zo vaak als vijand? Dat heeft hij niet verdiend ……

vrijdag 13 april 2012

Langs de stroom van de Rijn

Het gaat tegenwoordig wel eens over mensen met een dubbele nationaliteit. Zelf ben ik ook zo iemand. Mijn vader is Zwitser, mijn moeder Nederlandse, en ik ben allebei. Ik woon in Nederland en voel me Nederlandse – maar ik voel me óók Zwitser. Af en toe overvalt mij de heimwee naar Zwitsers brood, naar de rivier de Aare, naar Zwitsers dialect, naar de bergen. De laatste jaren geef ik daar elk jaar aan toe, en ga ik in mijn eentje familie opzoeken en genieten van het vele bekende wat ik in Nederland mis.

Zo zit ik dan na heel drukke weken met vooruitwerken en Pasen voorbereiden in de internationale trein. Ik rijd een alternatieve route, langs de Rijn, die ik mij herinner uit mijn jeugd. Op de heuvels staan kastelen, soms tot ruïnes vergaan. Ook aan de heel oude kerken en stukken stadsmuur besef je de geschiedenis. Op de hellingen wijngaarden, sommige voorzichtig groen. Af en toe staat er een boompje wit te bloeien en langs de rails zie ik wilgenkatjes.

Op de stations stappen mensen in en uit. Mensen nemen afscheid of staan vol verwachting te wachten op het perron: “zie jij oma al?” Het is mooi om te zien, die verbondenheid tussen mensen: de stralende lach waarmee mensen elkaar begroeten, kinderen die gaan rennen omdat ze hun oma of vader zien uitstappen, mensen die uitbundig staan te zwaaien op het perron. Op reis gaan of ergens aankomen zijn van die overgangsmomenten, en uitgezwaaid of opgehaald worden zijn mooie rituelen om deze momenten te markeren.


 De Rijn met de Loreley, foto van Wikipedia

Steeds rijdt de trein weer verder, en daarnaast varen de boten op de Rijn die onafgebroken stroomt. De hele dag rijden we door stadjes en dorpen. Hun namen zijn ingemetseld in de oever van de Rijn, zodat voor wie langs vaart of rijdt al deze plaatsen een naam krijgen. Het is vreemd om te beseffen dat al deze voor mij volledig onbekende plaatsen voor anderen ‘thuis’ zijn: hun geboorteplaats, de plaats waar hun werk is, hun familie of hun huis.

Ik zie grote bedrijven met eindeloze parkeerplaatsen vol auto’s. Ik zie gigantische fabriekshallen met grote namen, vlaggen en slogans. Maar ik zie ook daken vol met zonnepanelen en ergens in grote letters: ‘love vegan’. Ik zie hoe oude sporen overwoekerd worden door braambossen en vlinderstruiken. Wat moet dat prachtig zijn in de bloeitijd. Hier neemt de natuur terug wat van haar afgenomen is.

Zo trekt er een hele wereld aan mij voorbij. En ik, die de afgelopen dagen zo moest hollen en draven – ik zit stil en ik kijk. Niets moet, niets hoeft: wat een verademing. Ineens besef ik: ik ben thuis als het ware in gevecht met de tijd. Maar dat gevecht ga ik verliezen. Want de tijd blijft en ik niet. Ik maakte de tijd tot mijn vijand. Ik moet zien dat ik hem tot mijn vriend maak.

Bij elke stad waar we stoppen bedankt de conductrice in allerlei talen en ze besluit in het Engels met: ‘take care, good bye’. Het is een aardige wens, “take care”, en met die wens stap ik uit in mijn tweede vaderland.

vrijdag 6 april 2012

Tijdloze vreugde en verdriet

Al sinds ‘mensenheugenis’ krijg ik van mijn ouders een museumjaarkaart. Het is een ‘gouden’ cadeau, omdat het toegang geeft tot de meest uiteenlopende werelden. Musea zijn voor mij een soort oases – van schoonheid, van verwondering, van inspiratie. Een museum is voor mij bij uitstek een plek om nieuwe ervaringen op te doen, dingen te leren en nieuwe gedachten te krijgen. Er is zoveel moois te zien en interessants te leren op deze wereld. Ik denk wel eens dat ik aan zeven levens nog niet genoeg zou hebben. Gelukkig kan ik af en toe tijd nemen voor een inspiratiedag.

Vandaag ga ik naar een expositie over de Etrusken, een volk dat leefde van de negende tot de eerste eeuw voor Chr., in wat nu Toscane in Italië is. Het is een dubbeltentoonstelling waarbij in Amsterdam de mannen centraal staan, en in Leiden de vrouwen. Ik heb niet zoveel met macht en strijd en kies voor Leiden, waar ik als museumjaarkaarthouder een lezing aangeboden krijg. Het is interessant om te horen hoe een dergelijke expositie ontstaat en groeit. En de lezing bepaalt me er meteen bij dat alle voorwerpen die we gaan zien afkomstig zijn van de aristocratie, van de rijken en machtigen. Gouden en barnstenen sieraden, spiegels, parfumflesjes, zilveren servies: allemaal bezittingen van de ‘lucky few’. Het is onrechtvaardig dat de rijken herinnerd worden en de armen vergeten. Je beseft dat de rijken niet alleen meer aandacht kregen bij hun leven, maar óók na hun dood. Het is hetzelfde bij praalgraven van beroemdheden – terwijl de armen nooit een steen hebben gekregen en hun graf al lang geruimd is.

broche van filigrain, 5e eeuw voor Christus
In de vitrines liggen bijzondere sieraden: een ronde gouden broche met een robijn, een gouden fibula (speld) met een vogeltje, een armband van filigrain. Ik herken de vreugde om zulke mooie dingen; ik ben even ‘ijdel’ als de vrouw die deze sieraden gedragen heeft – en zo voel ik me met haar verbonden, dwars door vele eeuwen heen.

Bijzonder is dat in de Etruskische maatschappij mannen en vrouwen gelijkwaardig waren. Vrouwen waren voor die tijd uitzonderlijk onafhankelijk: zij konden hun eigen naam houden en doorgeven, hadden eigen bezit, eigen werk en veel vrijheid. Terwijl Griekse vrouwen thuis moesten blijven en niet aan het openbare leven deel mochten nemen, was dat bij de Etrusken anders. Zo zien we een mooi beeld van een echtpaar in gelijkwaardige positie met elkaar aan tafel. Griekse geschiedschrijvers vonden dat maar vreemd en schreven vol kritiek over verwilderde zeden en losbandigheid. Maar hier zie je geen bandeloze schaamteloze vrouw van lichte zeden, maar een respectvolle en liefdevolle relatie. Dan besef je dat we vaak verkeerd oordelen, omdat we gevangen zijn in onze eigen gewoonten en onze eigen beperkte horizon.

Etruskisch beeldje, 3e-2e eeuw voor Chr

In een vitrine staat een beeldje van een zogende moeder. Ook dit verbindt mij met deze Etruskische vrouwen. Ernaast staat een as-kistje van een kind. Op de zijkant zijn mensen afgebeeld. Het blijkt het afscheid van het kind voor de deur van het hiernamaals uit te beelden. De moeder of vader legt een hand op het hoofdje van het kind. Het ontroert me: dit gebaar van liefde en van zegening ... in het aangezicht van de dood. Het gaat mij door merg en been – als moeder. Uit de verhalen van mijn oma, van gemeenteleden, en uit boeken die ik heb gelezen, kan ik mij voorstellen hoe vreselijk ingrijpend en moeilijk dat is, om je kind te verliezen. Dat was voor die Etruskische moeder van toen niet anders dan voor een moeder van nu.

Deze heel oude voorwerpen uit lang vervlogen tijden, vertolken de basis-emoties van mensen van alle plaatsen en tijden: de vreugde om schoonheid, de liefde tussen mensen en het verdriet om het verlies van een kind. De Etrusken van toen en ik: het is een wereld van verschil, en tegelijkertijd verschillen we in die essentiële menselijke dingen nauwelijks van elkaar. Als we die geschiedenisles nu eens op deze tijd zouden toepassen en in alle onbekenden (met burka, hoofdoek, dreadlocks of wat dan ook) een moeder en vrouw als wijzelf zouden zien?

woensdag 28 maart 2012

Storm op zee

Prachtig is de zee: we lopen langs het strand en de strandlopertjes schieten voor onze voeten uit aan de kant, om achter ons weer terug te keren naar de vloedlijn. De kreten van de meeuwen klinken tegen de achtergrondmuziek van het geluid van de branding. Het is een bijzondere ervaring als je niet zo vaak bij de zee komt, en normaal in de bossen woont. De weidsheid van het landschap en de eindeloze horizon geven ruimte en lucht, en veel dagelijks gepieker lijkt hier in een heel ander perspectief te staan,

Later zien we de zon ondergaan en de wolken en de lucht kleuren in bijzondere tinten oranje. Het is een prachtig schouwspel: het verandert voordurend en het uitzicht blijft vol verrassende kleuren en composities. Later komen we langs de Brandaris, de vuurtoren uit 1594. Op een oude gevelsteen staat: ‘Tot waarschouwinge aller seevarende die God behoede’. De zee – voor mij een mooi decor op mijn vakantiedagen, maar de zee is natuurlijk allerminst alleen maar mooi en vredig.



Bij de haven lopen we langs een beeld, dat over de zee uitkijkt. Ik klim de treden op en lees: ‘Monument voor alle Terschellingers die niet zijn teruggekeerd van zee’. De zee was en is voor mensen soms ook een groot gevaar, zeker als zij voor hun werk veel op zee moeten zijn. In vroeger tijden was een mens nog kwetsbaarder dan nu, en vele schippers en vissers vonden de dood op zee. Enige tijd geleden waren wij in Friesland in museum It Fiskershúske in Moddergat. Daar was uitgebreid aandacht voor de stormramp van 5 op 6 maart 1883. In die nacht werd de vloot van Paesens-Moddergat overvallen door een van de zwaarste voorjaarsstormen sinds mensenheugenis. Er kwamen 83 vissers om, tussen de 12 en de 60 jaar oud, verdronken in de ijskoude golven van de zee ten noorden van de Waddeneilanden. Hun namen staan op een monument, geordend per schip. Aan de namen te zien zullen het deels vaders zijn met hun zonen, of broers ... Ook aan de Groningse en Hollandse kusten vergingen vissersschepen. En zo is het natuurlijk vaker geweest: de zee gaf, maar de zee nam óók. 


En zo staat daar, aan zee op West-Terschelling, een vrouw over zee uit te kijken. Ze heeft een dikke jas aan, en laarzen, haar kraag omhoog: je voelt de snijdende kou. Het is de kou van de wind, die hier zo sterk kan zijn, én de kou van het alleen achter blijven. Hier zijn ze weggevaren: de mannen, de zoons, de broers, en niet weergekeerd. Ze zijn op zee gebleven, en soms weet je als achterblijver niets van het lot dat hen getroffen heeft. Die onzekerheid, dat moet vreselijk zijn en het zeker weten van “nooit meer” is dat ook. Soms hoopt deze vrouw nog, zo stel ik mij voor. Zou er toch niet nog een kans zijn, dat hij thuiskomt? Soms is er alleen een heimwee en verlangen in haar ogen en haar hart, naar de geliefde, die ze niet meer vast kan houden. En soms de wanhoop, dat haar leven zo anders geworden is, zo glansloos, zo hard. Als je hier zo staat, begrijp je de bede dat God de mensen op zee mag behoeden.

Maar naast de zorgen om de mensen op zee, is er tegenwoordig ook de zorg om de zee zélf. Overbevissing, drijfplastic, gif, olie en de opwarming van de aarde bedreigen het leven in de zee. En ik denk: zou het niet zo kunnen zijn dat zoals wij God vragen om de mensen op zee te behoeden Hij ons nu op onze beurt vraagt om de zee te behoeden?



donderdag 15 maart 2012

Eiland in mijn levenszee

We hebben de zee sinds onze aankomst op Terschelling niet meer gezien. Alleen maar gehoord: het geluid van de branding in de verte. Op zondagmiddag lopen we de duinen in, de zee tegemoet. Het geluid van de branding wordt steeds sterker, maar het pad door de duinen gaat nog door. Tot er ineens dat moment is dat er achter dit duin niet nog een volgend duin ligt, maar de zee! Prachtige wolkenluchten komen voorbij en zand stuift in bijzondere patronen over het strand. Af en toe bukken we voor een schelp, of springen opzij voor een golf.


Is het de leegte die zo bevrijdend werkt? Of het ervaren van de kracht van de natuur? Relativeert dat je dagelijkse beslommeringen? Is het de wind die je gepieker wegblaast? Er gaat iets rustgevends uit van lopen langs zee en strand. Lange tijd kwamen we veel op Schiermonnikoog, en ik herinner me hoe die wandelingen mij kracht gaven en rust. Gisteren heb ik een gedicht overgeschreven in café ‘De walvis’ waar wij wat dronken, terwijl wij een prachtig uitzicht hadden over het wad en de ondergaande zon:

Al lopend over het wad
Verander ik langzaam in mijn omgeving
Ziltig ruikt de lucht, zout proeft mijn huid
Zand kriebelt zich een weg naar overal
Mijn gedachten worden weggevoerd door de wind
Zodat ik zweef tussen hemel en aarde
Wat rest is stilte en tevredenheid.

Marleen

De wind is koud en de lucht dreigend. Toch is het moeilijk om weer om te keren. Want hoewel je je nietig voelt in deze uitgestrekte grootsheid van de natuur, voel je je tegelijkertijd opgenomen in dit grote geheel. Het is vreemd tegenstrijdig hoe je je geborgen kunt voelen in deze eindeloosheid: de hoge hemel, de eindeloze zee, de wind die alsmaar voorbij raast, de branding die altijd in beweging blijft ....


Later lopen we door West-Terschelling en op een raam is een gedicht geschreven. Het omschrijft die vreemde tegenstrijdigheid van die uitgestrektheid én geborgenheid:

Ik droomde dat ik eenzaam woonde aan de zee
Op blote voeten liep ik langs de vloedlijn
Met waterwolken naast en boven mij
Er liepen meeuwen langs mij mee

Een tijdeloos alleen zijn, lijkend op eeuwigheid
Maar soms, tussen de lage luchten en het zand
Als in de holte van een hand
iets van geborgenheid

Nico Laterveer


Voor veel mensen, eilanders én gasten, zijn zee en wind, eb en vloed, wad en Noordzee bronnen van bezinning en inspiratie. Zo is een eiland een bijzondere plek: je komt letterlijk los van je gewone leven door de overtocht en je krijgt ruimte om op een nieuwe manier te kijken en je leven anders te ervaren. Zo zijn deze dagen een kostbaar geschenk op mijn levenszee: eiland van rust en stilte, licht en hoop.

donderdag 8 maart 2012

Het licht is uitgezaaid

Op een vrijdag parkeren wij onze auto bij Harlingen-Haven en stappen we op de boot naar Terschelling. Ik mag er een workshop “Paaskaarsen maken” geven en een kerkdienst leiden. De veerboot is enorm en we varen tussen ijsschotsen door de haven uit. Koud is de wind en de lucht kleurt roze. Langzaam wordt het donker en lichten de boeien rood en groen op en zie je het licht van de vuurtorens langs de hemel gaan.

Twee uur duurt de overtocht. Na een poosje zie je de vaste wal niet meer en ben je omringd door water. Terwijl je zo op de boot zit, laat je je gewone leventje achter je; het verdwijnt achter de horizon. En zo stap je op het eiland als het ware een nieuw leven binnen: even los van alles, onbereikbaar en afgesloten van alle hectiek en drukte.

op de boot naar Terschelling gaat de zon onder

Vanwege ijsgang is onze boot, eerder op de dag, uitgevallen en komen we pas bij donker op het eiland aan. In diepe duisternis staan we bij een bushalte en we hebben geen idee waar we moeten zijn. Met het schijnsel van onze i-pod en mobiel zoeken we een pad. Wat ben je als mens hulpeloos in het donker. Het heeft iets beangstigends als je niet weet waar je bent en als je niet weet waar je heen moet. Wat zijn we blij als we het huisje vinden. De lampen gaan aan en er gaat eten op het vuur. Licht en warmte doen hun werk. We voelen ons prettig en thuis.

De volgende dag is de workshop Paaskaars maken. De symboliek van het licht is na ons nachtelijk avontuur weer extra duidelijk. Er worden prachtige kaarsen gemaakt. Ieders levenservaringen spelen erin mee en iedere kaars vertelt zijn eigen verhaal. In een grote kring staan ze rond de paaskaars, te wachten op een vlammetje. Zo wordt het licht uitgedeeld en doorgegeven.

Het Licht is uitgezaaid en niet door weer en wind te doven.
Hoe diep het donker ook, wij zullen in zijn kracht geloven.
Het Licht is uitgezaaid in ons, opdat wij zullen stralen.
In onze liefde wil het zich in duizendvoud herhalen.
Maak ons tot lichtjes in de nacht voor al wie met ons adem halen.

tekst van Sytze de Vries

’s Avonds wandelen we door het donker. We gaan daar waar de lantarenpalen staan en waar we de vuurtorenlichten zien. Hun licht is als een hartslag: een vertrouwenwekkend ritme, dat altijd doorgaat. Licht maakt alles anders, en dat is wat we hier aan de lijve ervaren. In onze tijd is licht zo vanzelfsprekend en zo altijd onder handbereik. Maar daardoor vergeet je wel eens hoe kostbaar het is. Want het donker maakt ons machteloos en kwetsbaar en kan ons som ook bang en onzeker maken. Een van de deelnemers had haar paaskaars versierd met een vuurtoren. Juist op deze plek is dat een mooi symbool: het licht dat je door het donker heen loodst, dat helpt je te oriënteren en zorgt dat je in alle duisternis niet ten onder gaat.

paaskaars met vuurtoren

Andere kaarsen werden met een schip of met golven versierd. Je kunt het leven vergelijken met varen in een boot. Soms vaar je vredig in de zon, soms heerst er storm en word je heen en weer geslingerd. Het licht is de zon die uitbundig straalt of een paar kleine sterren aan een donkere hemel, of het licht van de vuurtoren aan de horizon. Ik hoop dat alle paarkaarsen die er dit weekend gemaakt zijn ergens aangestoken gaan worden, en dat ze teken van hoop mogen zijn.



donderdag 1 maart 2012

Een wereld vol verhalen

Op een koude morgen rijd ik naar Amsterdam waar ik met een collega die ook vriendin is, heb afgesproken. We gaan naar de expositie over het Jodendom in de Nieuwe Kerk. Maar ze heeft vanwege de vorst uren vertraging. Ik zit in de stationsrestauratie en schrijf de overweging voor zondag. Een witte kakatoe zorgt voor bijzondere kreten en ik geniet van zijn gescharrel.

Uiteindelijk zijn we dan toch samen in de Nieuwe Kerk. We stappen een wereld vol verhalen binnen en gaan het joodse jaar door aan de hand van de vele feesten. Er zijn voorwerpen te zien die een rol spelen in de tradities en rituelen op de feestdagen: deels vele eeuwen oud, deels nieuw ontworpen, deels traditioneel vormgegeven, deels heel modern, sommige uit Nederland, andere uit verre landen.

een oud reliëf van een menorah, zevenarmige  kandelaren,
met daarnaast twee opgerolde tora-rollen
foto: JQ

Joden hebben zich over de hele wereld gevestigd, vaak niet uit vrije wil, maar noodgedwongen. Zij moesten temidden van andere culturen, religies en tradities hun eigen identiteit bewaren. De verhalen, de rituelen en de voorwerpen die daarvoor gebruikt werden, hebben hen daarbij geholpen.

We zien chanoeka-lampen, doosjes voor de geurige sabbatskruiden, prachtige versieringen voor de tora-rollen en jadjes om mee te lezen. Er liggen enkele echte stukken van de Dode Zee rollen, fragmenten van die heel oude joodse verhalen die al die eeuwen lang werden doorverteld, op geschreven, overgeschreven en voorgelezen. Er hangt een schilderij van Marc Chagall van een jood met een torarol in zijn armen, zó liefdevol vastgehouden alsof het een kind is.

Het schilderij doet mij denken aan een van mijn lievelingsboeken:‘Brandende kaarsen’ van Bella Chagall, de e erste vrouw van de kunstenaar. Zij beschrijft daarin haar jeugd in het Oost-Europa van begin vorige eeuw. In haar verhalen spelen de feesten en rituelen een grote rol. Gezien vanuit de ogen van een kind beleef je de feesten mee: de drukke voorbereidingen,  de sfeer van verwachting, de verwondering om al die mooie ongewone dingen, de geuren en klanken, de tradities en rituelen. De feesten trekken door het joodse jaar en zo door het joodse leven en geven het kleur en glans. In de vitrines zien we al die feesten voorbijkomen.

Banieren met bijzondere teksten
foto: JQ

Daarnaast zijn er lange doeken, banieren, opgehangen. Daarop zijn bijbelteksten en joodse spreuken op te lezen. Je moet lezen van beneden naar boven en de woorden gaan hoog boven ons uit. Het is bijzonder om zo tussen de teksten te lopen: teksten die ver boven jou uitstijgen en jou zo als het ware optillen, meenemen en opheffen.

G’tt sagte zu Mose: Wo immer du die Fußspuren eines Menschen findest, 
da bin ich vor dir.
Mechilta Beshallach

If you drop gold and books, pick up the books first, then the gold.
from the treasury of jewish quotations

Veel hebben de joden moeten doormaken vanwege deze verhalen en rituelen die hen anders maakten dan de mensen om hen heen. Maar deze zelfde verhalen en rituelen hebben hen ook opgetild, getroost en geholpen.

Vaak gaan machthebbers en religie een verbond aan. Dan komt de godsdienst in de gevarenzone want dan wordt het zomaar een machtsmiddel. De joden in de diaspora, opgejaagd, buitengesloten en bedreigd hadden de machtigen niet aan hun kant. Maar de God die slaven bevrijdt uit Egypte is er ook bij in alle eeuwen die volgen. En zo is het Jodendom ondanks alles een godsdienst geworden en gebleven van vergeving.

Es ist die Pflicht des Menschen, sich zu Purim zu berauschen, 
dass man nicht mehr zwischen 
'Verflucht sei Haman‘ und 'Gesegnet sie Mordechai‘ unterscheiden kann.
Talmud, Megilla 7B

Deze godsdienst zonder macht en zonder bekeringsdrang, maar vol verhalen en rituelen die bemoedigen, verdient de aandacht die zij hier in de Nieuwe Kerk krijgt.

grote koperen menorah-kandelaar
foto: JQ